Duiding


Slokdarmkanker bij Barrett-mucosa: vier tot vijf maal minder frequent dan voorheen gedacht


28 05 2012

Zorgberoepen

Duiding van
Hvid-Jensen F, Pedersen L, Drewes AM, et al. Incidence of adenocarcinoma among patients with Barrett’s esophagus. N Engl J Med 2011;365:1375-83.


Besluit
Deze grootschalige Deense observationele studie laat toe om te besluiten dat het risico van slokdarmkanker laag is bij Barrett-mucosa zonder laaggradige dysplasie. Onrechtstreeks kunnen we hieruit afleiden dat endoscopische opvolging alleen nuttig is bij Barrett-mucosa met laaggradige dysplasie. Wat de winst hierbij is en hoe frequent dit moet gebeuren, moet echter verder onderzocht worden.



 

 

De prevalentie van Barrett-oesofagus wordt geschat op 2% in de Westerse volwassen bevolking. Qua jaarlijkse incidentie is er een relatieve toename met 2% geobserveerd (zou elk jaar stijgen met 2%) (1).

Recent bespraken we nog het gebrek aan evidentie over het feit dat maligne ontaarding van Barrett-mucosa door middel van protonpompinhibitoren kan tegengehouden worden (2). Deze afwezigheid van evidentie wordt ook vermeld in Amerikaanse gastro-enterologische richtlijnen (3). Vandaar dat het relevant is om te weten hoe vaak de endoscopische opvolging ter detectie van maligne ontaarding nodig is bij patiënten met Barrett-mucosa.

Via een landelijke histologische databank in Denemarken volgden de onderzoekers tussen 1992 en 2009 de incidentie van dysplasie en adenocarcinoma bij 11 028 patiënten met histologisch bewezen Barrett-mucosa (4). Bovendien werd via een tweede nationale databank de incidentie van hooggradige dysplasie en adenocarcinoma, in de praktijk twee diagnosen met dezelfde therapeutische consequenties, nagegaan bij de algehele Deense bevolking. Deze tweede databank omvatte zowel patiënten zonder Barrett-mucosa als met Barrett-mucosa. De mediane opvolgingstijd in de Barrett-databank bedroeg 5,2 jaren en de mediane leeftijd bij diagnosestelling was 63 jaar. Er waren tweederde mannen en een derde vrouwen. Het jaarlijkse risico van adenocarcinoma bedroeg 0,12% (95% BI van 0,09 tot 0,15), ofwel 1 adenocarcinoma per 860 patiëntjaren. Het risico van hooggradige dysplasie bedroeg 0,7% het eerste jaar en 1,1% de volgende jaren. Van laaggradige dysplasie bij Barrett-mucosa was het reeds bekend dat het een risicofactor is op ontwikkeling van slokdarmkanker versus afwezigheid van laaggradige dysplasie (5). In de Barrett-databank was er ook een stratificatie volgens aan- of afwezigheid van laaggradige dysplasie op het moment van diagnose. Dankzij deze gegevens kon men vaststellen dat zonder laaggradige dysplasie de incidentie 1 adenocarcinoma op 1 000 patiëntjaren bedroeg en met laaggradige dysplasie de incidentie 5 op 1 000 patiëntjaren bedroeg. Het risico van verkankering was dus vijf maal hoger indien tijdens de diagnosestelling laaggradige dysplasie aangetroffen werd. Bestaat er laaggradige dysplasie, blijft endoscopische opvolging dus zeker gewettigd. Is laaggradige dysplasie afwezig, zijn routinematig uitgevoerde endoscopieën niet zinvol omwille van de mineure winst die ervan verwacht kan worden. Hoe frequent er dan gescreend moet worden bij laaggradige dysplasie kunnen we uit deze studie niet afleiden.

In vergelijking met de tweede databank van de algehele Deense populatie was het relatief risico van adenocarcinoma 11,3 maal hoger (95% BI van 8,8 tot 14,4) in het geval van Barrett-mucosa en het relatief risico van hooggradige dysplasie zelfs 65 maal hoger (95% BI van 53,5-79,0). Daarnaast stelden de onderzoekers ook vast dat van alle slokdarmcarcinomata in Denemarken, 8% voordien bekend was met Barrett-mucosa en de 92% overigen er niet mee bekend was of geen Barrett-mucosa had.

 

Besluit

Deze grootschalige Deense observationele studie laat toe om te besluiten dat het risico van slokdarmkanker laag is bij Barrett-mucosa zonder laaggradige dysplasie. Onrechtstreeks kunnen we hieruit afleiden dat endoscopische opvolging alleen nuttig is bij Barrett-mucosa met laaggradige dysplasie. Wat de winst hierbij is en hoe frequent dit moet gebeuren, moet echter verder onderzocht worden.

 

Referenties

  1. Jankowski J, Barr H, Wang K, et al. Diagnosis and management of Barrett’s oesophagus. BMJ 2010;341:597-602.
  2. Van de Casteele M. Laparoscopische antirefluxchirurgie of esomeprazol voor chronische refluxziekte? Minerva 2009;8(4):44-5.
  3. Kahrilas PJ, Shaheen NJ, Vaezi MF; American Gastroenterological Association Institute. Management of gastroesophageal relfux disease. Gastroenterology 2008;135:1392-1413.
  4. Hvid-Jensen F, Pedersen L, Drewes AM, et al. Incidence of adenocarcinoma among patients with Barrett’s esophagus. N Engl J Med 2011;365:1375-83.
  5. Bhat S, Coleman HG, Yousef F, et al. Risk of malignant progression in Barrett’s esophagus patients: results from a large population-based study. J Natl Cancer Inst 2011;103:1049-57.
Slokdarmkanker bij Barrett-mucosa: vier tot vijf maal minder frequent dan voorheen gedacht

Auteurs

Van de Casteele M.
Departement Hepatologie UZ Gasthuisberg en Departement Geneesmiddelen RIZIV
COI :

Woordenlijst



Commentaar

Commentaar