Bondige bespreking


Hormonale substitutietherapie ter preventie van postmenopauzale chronische aandoeningen?


  • 1
  • 1
  • 0
  • 0



15 10 2013

Duiding van
Nelson HD, Walker M, Zakher B, Mitchell J. Menopausal hormone therapy for the primary prevention of chronic conditions: a systematic review to update the U.S. Preventive Services Task Force recommendations. Ann Intern Med 2012;157:104-13.


Besluit
HST is niet geïndiceerd voor primaire en secundaire preventie van cardiovasculaire aandoeningen, noch om dementie en cognitief verlies te voorkomen bij postmenopauzale vrouwen. HST is wel effectief voor de preventie van postmenopauzale osteoporotische fracturen. Deze optie is echter alleen te verdedigen bij vrouwen met een belangrijk risico en bij wie andere behandelingen niet mogelijk zijn. Momenteel beschikken we over onvoldoende gegevens om het risico op lange termijn in te schatten voor het gebruik van HST bij peri- of postmenopauzale vrouwen jonger dan 50 jaar.


 


Tekst onder de verantwoordelijkheid van de Nederlandstalige redactie

 

 

Minerva gaf reeds commentaar bij verschillende studies over het effect van hormonale substitutietherapie (HST) (1-7). Globaal besloten we dat HST met oestrogenen al dan niet gecombineerd met progestagenen, gebruikt kan worden bij de behandeling van hinderlijke postmenopauzale vapeurs, urogenitale atrofie of osteoporose, en dit alleen wanneer er geen bruikbaar alternatief is en de betrokkene degelijk wordt ingelicht over de mogelijke ongewenste effecten. Dezelfde boodschap vinden we terug in de aanbeveling van de US Preventive Services Task Force (USPSTF) (8,9).

 

Omdat de USPSTF een update van de aanbeveling nodig vond, werd de literatuur opnieuw doorploegd (van 2002 tot einde november 2011). Het systematische literatuuronderzoek is van gedegen methodologische kwaliteit (10). Negen onderzoeken voldeden aan de inclusiecriteria. De studies waren van een redelijke (‘fair’) methodologische kwaliteit. De analyse werd bemoeilijkt doordat zelden in meer dan twee studies dezelfde eindpunten vermeld waren en doordat men vaak voor dezelfde eindpunten verschillende meetmethodes gebruikte. Post hoc analyses, kleine onderzoeksgroepen en grote verschillen in therapietrouw zorgden mee voor een moeilijke interpretatie van de resultaten. Hoofdzakelijk analyseerden de reviewers de gegevens van de WHI studies met respectievelijk 16 608 (geconjugeerd oestrogeen en medroxyprogesteronacetaat versus placebo) (11) en 10 739 (alleen geconjugeerd oestrogeen versus placebo) (12) gezonde vrouwen tussen 50 en 79 jaar (gemiddelde leeftijd 60 tot 69 jaar). Men gebruikte daarnaast alle post hoc analyses met nieuwe eindpunten die dit studiemateriaal als basis hadden, samen met de opvolgonderzoeken na het stopzetten van de interventie. Deze grote studies op lange termijn hebben de meeste resultaten aangebracht in de zoektocht naar antwoorden op de gestelde sleutelvragen in dit literatuuronderzoek. De geselecteerde HERS (13)- en ESPRIT (14)-studie met respectievelijk 2 763 en 1 017 deelneemsters, evalueerden de werkzaamheid van HST op cardiovasculaire en bijkomende uitkomsten bij vrouwen met reeds bestaande cardiovasculaire aandoeningen. Het is merkwaardig dat men in het kader van dit literatuuronderzoek dergelijke studies over secundaire preventie selecteerde.

Omwille van de heterogeniteit (zie hoger) was een meta-analyse niet mogelijk. Het rapport beperkt zich dan ook tot een overzicht van de resultaten per studie voor de verschillende eindpunten (zie tabel).

Subgroepanalyses om groepen aan te wijzen die meer of minder voordeel zouden hebben van HST leverden eigenlijk niet zoveel op behalve dat HST eventueel de bestaande risico’s door roken, hoog LDL cholesterol, en obesitas versterkten. Geconjugeerde oestrogenen en medroxyprogesteronacetaat werden gebruikt in de studies die de meeste data leverden. Over andere vormen van HST en klinische eindpunten is relatief weinig bekend. Een recente Cochrane meta-analyse (15) die 23 studies includeerde (n=42 830 vrouwen) en zowel primaire als secundaire preventiestudies opnam bevestigde de analyse van de USPSTF. Ook in deze analyse waren 70% van de data afkomstig van de WHI en de HERS studies.

 

 

 

Tabel 1. Statistisch significante resultaten afkomstig uit de WHI studies.

 

Uitkomst

 

Oestrogeen plus progesteron vs placebo

 

Oestrogeen alleen vs placebo

 

HR (95% BI)

Verschil in gebeurtenissen per

10 000 vrouwjaren (95% BI)

HR (95% BI)

Verschil in gebeurtenissen per 10 000 vrouwjaren (95% BI)

Invasieve borstkanker

1,25 (1,07 - 1,46)

Plus 8 (3 - 14)

0,77 (0,62 - 0,95)

Min 8 (1 - 14)

CVA

1,34 (1,05 - 1,71)

Plus 9 (2 - 15)

1,36 (1,08 - 1,71)

Plus 11 (2 - 20)

DVT

1,88 (1,38 - 2,55)

Plus 12 (6 - 17)

1,47 (1,06 - 2,05)

Plus 7 (1 - 14)

Longembool

1,98 (1,36 - 2,87)

Plus 9 (4 - 14)

 

 

Diabetes

0,79 (0,67 - 0,93)

Min 15 (4 - 26)

 

 

Alle fracturen

0,76 (0,69 - 0,83)

Min 46 (29 - 63)

0,70 (0,63 - 0,79)

Min 56 (37 - 75)

Mortaliteit borstkanker

1,96 (1,00 - 4,04)

 

0,37 (0,13 - 0,91)

Min 2 (1 - 3)

Mortaliteit longkanker

1,71 (1,16 - 2,52)

Plus 5 (1 - 8)

 

 

Cholecystitis, cholelithiasis

1,61 (1,30 - 2,00)

Plus 20 (11 - 29)

1,79 (1,44 - 2,22)

Plus 33 (20 - 45)

Dementie

2,05 (1,21 - 3,48)

Plus 22 (5 - 39)

 

 

Urinaire incontinentie

1,39 (1,27 - 1,52)

Plus 872 (591 – 1 153)

1,53 (1,37 - 1,71)

Plus 1271(883 -1 660)

 

 

Besluit

HST is niet geïndiceerd voor primaire en secundaire preventie van cardiovasculaire aandoeningen, noch om dementie en cognitief verlies te voorkomen bij postmenopauzale vrouwen. HST is wel effectief voor de preventie van postmenopauzale osteoporotische fracturen. Deze optie is echter alleen te verdedigen bij vrouwen met een belangrijk risico en bij wie andere behandelingen niet mogelijk zijn. Momenteel beschikken we over onvoldoende gegevens om het risico op lange termijn in te schatten voor het gebruik van HST bij peri- of postmenopauzale vrouwen jonger dan 50 jaar.

 

 

Referenties

  1. La Redaction Minerva. Oestrogenen voor de behandeling van urine-incontinentie bij post-menopauzale vrouwen. Minerva online 28/05/2013.
  2. Chevalier P. Hormonale substitutie: niet effectief bij urinaire incontinentie? Minerva 2005;4(7):108-10.
  3. Lemiengre M. Hormonale substitutie: het einde van een illusie? [Editoriaal] Minerva 2002;31(7):358-62.
  4. Van den Broecke R. Hormonale substitutie en het risico op borstkanker: de rol van prostagenen. Minerva 2001;30(9):418-20.
  5. Lemiengre M. Hormonale substitutie en het risico op ovariumcarcinoom. Minerva 2001;30(9):421-3.
  6. Lemiengre M. Postmenopauzale hormonale substitutie en cardiovasculair risico. Minerva 2000;29(5):233-6.
  7. Lemiengre M. Verhoogd risico op DVT bij hormonale substitutie. Minerva 2000;29(5):237-8.
  8. U.S. Preventive Services Task Force. Postmenopausal hormone replacement therapy for primary prevention of chronic conditions: recommendations and rationale. Ann Intern Med 2002;137:834-9.
  9. U.S. Preventive Services Task Force. Hormone therapy for the prevention of chronic conditions in postmenopausal women: recommendations from the U.S. Preventive Services Task Force. Ann Intern Med 2005;142:855-60.
  10. Nelson HD, Walker M, Zakher B, Mitchell J. Menopausal hormone therapy for the primary prevention of chronic conditions: a systematic review to update the U.S. Preventive Services Task Force recommendations. Ann Intern Med 2012;157:104-13.
  11. Rossouw JE, Anderson GL, Prentice RL, et al; Writing Group for the Women’s Health Initiative Investigators. Risks and benefits of estrogen plus progestin in healthy postmenopausal women: principal results From the Women’s Health Initiative randomized controlled trial. JAMA 2002;288:321-33.
  12. Anderson GL, Limacher M, Assaf AR, et al; Women’s Health Initiative Steering Committee. Effects of conjugated equine estrogen in postmenopausal women with hysterectomy: the Women’s Health Initiative randomized controlled trial. JAMA 2004;291:1701-1.
  13. Grady D, Herrington D, Bittner V, et al; HERS Research Group. Cardiovascular disease outcomes during 6.8 years of hormone therapy: Heart and Estrogen/progestin Replacement Study follow-up (HERS II). JAMA 2002;288:49-57.
  14. Cherry N, Gilmour K, Hannaford P, et al; ESPRIT team. Oestrogen therapy for prevention of reinfarction in postmenopausal women: a randomised placebo controlled trial. Lancet. 2002;360: 2001-8.
  15. Marjoribanks J, Farquhar C, Roberts H, Lethaby A. Long term hormone therapy for perimenopausal and postmenopausal women. Cochrane Database Syst Rev 2012, Issue 7.
Hormonale substitutietherapie ter preventie van postmenopauzale chronische aandoeningen?

Auteurs

De Weirdt S.
Interuniversitair Centrum voor Huisartsenopleiding

Lemiengre M.
Huisartsenpraktijk De Wijngaard Roeselare; Vakgroep Huisartsgeneeskunde en Eerstelijnsgezondheidszorg, UGent

Woordenlijst



Commentaar

Commentaar