Tijdschrift voor Evidence-Based Medicine



Opsporen van slaapapnoesyndroom


  • 1
  • 0
  • 0
  • 0



Minerva 2000 Volume 29 Nummer 10 Pagina 460 - 461


Duiding van
NETZER NC, STOOHS RA, NETZER CM, et al. Using the Berlin questionnaire to identify patients at risk for the sleep apnea syndrome. Ann Intern Med 1999;131:485-91.


 

Minerva Kort biedt u korte commentaren op publicaties die door de redactie van Minerva zijn geselecteerd. Interessante en voor huisartsen relevante studies die niet direct in een ruimer kader kunnen of moeten worden besproken, krijgen een plaats in deze rubriek. Iedere selectie wordt kort samengevat en van enkele regels commentaar voorzien door een referent. De redactie van Minerva wenst u veel leesgenot.


 

Het slaapapnoesyndroom is een veel voorkomende doch weinig herkenbare pathologie. YOUNG et al. melden prevalentiecijfers van 2% onder de vrouwelijke en 4% onder de mannelijke populatie tussen 30 en 60 jaar. Waarschijnlijk is de prevalentie bij oudere personen nog hoger. Het slaapapnoesyndroom wordt gekenmerkt door slaperigheid of moeheid overdag, snurken, obstructieve episodes van de bovenste luchtwegen tijdens de slaap en nachtelijke hypoxemie. In de Berlijnse vragenlijst worden patiënten gevraagd te antwoorden op een tiental items waarbij naar onder andere slaperigheid overdag, snurken, medische voorgeschiedenis van hoge bloeddruk en overgewicht wordt gepeild. In deze studie werden een zevenhonderdtal volwassenen met een gemiddelde leeftijd van ongeveer 50 jaar uit de eerste lijn gerekruteerd. Op basis van de scores die werden behaald bij het invullen van de Berlijnse vragenlijst, werden zij onderverdeeld in een laag- en hoogrisicogroep. Over beide risicogroepen verdeeld, ondergingen honderd patiënten bovendien een ambulante slaapstudie waarbij onder andere zogenaamde slaapverstorende "respiratory events" per uur in bed werden geregistreerd (Respiratory Disturbance Index (RDI), de gouden standaard). Bij vergelijking van beide methodes (namelijk de Berlijnse vragenlijst versus ambulante slaapmonitoring) bleek dat de Berlijnse vragenlijst het mogelijk maakt om zowel belangrijke symptomen gerelateerd aan het slaapapnoesyndroom op te sporen als risicogroepen te identificeren. Dit gebeurde bovendien met een minimum aan inzet (invullen van een vragenlijst door de patiënt, zonder arts-patiëntcontact). Hoewel deze Berlijnse vragenlijst ook in andere eerstelijnscentra moet worden gevalideerd, toont ze toch op overtuigende wijze hoe op een zeer eenvoudige en weinig tijdrovende manier naar een veel voorkomende, weinig herkende, vaak invaliderende én behandelbare aandoening, zoals het slaapapnoesyndroom, kan worden gescreend. Dat er wel degelijk nood is aan een dergelijk instrument, bewijst het feit dat, zoals uit andere studies blijkt, zelfs een "voorspellend voorval" zoals het veroorzaken van een verkeersongeval door het in slaap vallen achter het stuur, nog te weinig aanleiding geeft tot het opsporen van deze aandoening. Met een gevoeligheid van 86% voor het detecteren van de groep met vijf of meer slaapverstorende "respiratory events" per uur (RDI =5 volgens slaapmonitoring, de gouden standaard) scoort deze vragenlijst bovendien hoger dan alle andere tot nog toe in de klinische praktijk gebruikte strategieën. Op die manier zou het aantal gerichte verwijzingen van patiënten met vermoeden van slaapapnoe naar het slaaplabo ook werkelijk moeten toenemen.

 

T. Declercq

 

 

Belangenvermenging/financiering

Deze studie werd gefinancierd door verschillende organisaties, waaronder geen farmaceutische firma’s.

 

Literatuur

  1. MILLMAN RP. Do you ever take a sleep history? [editorial] Ann Intern Med 1999;131:535-6.
  2. YOUNG T, PALTA M, DEMPSEY J, et al. The occurrance of sleepdisordered breathing among middle-aged adults. N Engl J Med 1993;328:1230-5.
Opsporen van slaapapnoesyndroom

Auteurs

Declercq T.
huisarts ; Vakgroep Huisartsgeneeskunde en Eerstelijnsgezondheidszorg, UGent

Woordenlijst



Commentaar

Commentaar