Tijdschrift voor Evidence-Based Medicine



Bloeddruk: eerst rusten, dan meten


  • 0
  • 0
  • 0
  • 0



Minerva 2000 Volume 29 Nummer 6 Pagina 276 - 277


Duiding van
BAKX JC. De invloed van een rustperiode op de bloeddruk. Huisarts Wet 1999;42:53-6.


 

Minerva Kort biedt u korte commentaren op publicaties die door de redactie van Minerva zijn geselecteerd. Interessante en voor huisartsen relevante studies die niet direct in een ruimer kader kunnen of moeten worden besproken, krijgen een plaats in deze rubriek. Iedere selectie wordt kort samengevat en van enkele regels commentaar voorzien door een referent. De redactie van Minerva wenst u veel leesgenot.


 
 

Dit artikel bevestigt een aloude wijsheid, namelijk dat de bloeddruk correcter wordt gemeten (daalt) als men een zekere rustperiode in acht neemt voordat de "conventionele" meting plaatsvindt. Dat deze daling het meest uitgesproken is bij patiënten met systolische hypertensie, werd vroeger reeds aangetoond. ARMITAGE en ROSE beschreven in 1966 dat het opvoeren van zowel het aantal metingen per spreekuur als van het aantal spreekuren zelf het gemiddelde van de bloeddruk doet dalen, maar dat het opvoeren van het aantal meetmomenten verspreid over verschillende dagen, wel efficiënter is 1,2.

In deze studie werd de daling van de bloeddruk bij hypertensieven geregistreerd door middel van een automatisch toestel (Dinamap) in afwezigheid van de arts-onderzoeker. Het niet aanwezig zijn van de arts is op zichzelf al een bekende reden voor bloeddrukdaling, omdat op deze manier wittejashypertensie wordt gereduceerd 3.

In een ander luik van de studie wordt gebruikgemaakt van de "Hawksley Random Zero sphygmomanometer". Bij dit toestel is de gebruiker bij het begin van de meting blind voor de wisselende nulpositie (tussen 0 en 60 mm Hg). De bloeddruk wordt bekomen door de nulpositie, die pas bekend is nadat de kwikkolom tot rust is gekomen, af te trekken van de afgelezen waarde. Dit resulteert in een verminderen van de "verwachtingsbias" maar de nadelen zijn talrijk: er zou niet minder voorkeur zijn voor het getal tussen 0 en 10 mm Hg 4, de Hawksley-manometer onderschat systematisch de systolische bloeddruk gemiddeld met 2 mm Hg en de diastolische met 4 mm Hg 5 en er wordt een correlatie vastgesteld tussen de bekomen bloeddruk en het willekeurig nulniveau. Daarenboven behoort dit toestel niet tot het routine-instrumentarium van de huisarts. Het is niet zonder reden dat alle richtlijnen voor diagnose van hypertensie (WHO, NHG) aanraden om de patiënt een vijftal minuten te laten rusten vooraleer de bloeddruk te meten. Een eigenlijke onderzoeksvraag zou zijn of dit wel degelijk gebeurt in de dagdagelijkse huisartspraktijk, met andere woorden, of deze richtlijnen wel implementeerbaar zijn. Een van de redenen waarom de conventionele bloeddrukmeting door de huisarts zo weinig representatief is voor de reële bloeddruk van de patiënt 6, is ongetwijfeld het niet (kunnen?) toepassen van de voorgeschreven standaardisatietechnieken van de meting. Is het haalbaar in de praktijk dat de huisarts zijn patiënt vijf minuten laat rusten in een stille ruimte, dat de patiënt het laatste half uur geen koffie dronk of geen sigaret rookte, dat de deflatiesnelheid precies 2 mm Hg per seconde bedraagt, dat eerst door palpatie van de arteria radialis bij opgeblazen manchette wordt gezocht naar de grootteorde van de systolische bloeddruk, dat steeds, ook bij huisbezoek, wordt gebruikgemaakt van een manchette met ideale afmetingen…?

Wij stellen ons eerder de vraag of deze criteria voor correcte bloeddrukmeting wel realistisch zijn voor de huisarts en of de huisarts in vele gevallen niet moet denken aan een alternatieve methode van bloeddrukmeting die nauwkeuriger de echte bloeddruk van de patiënt benadert. De thuismeting door de patiënt zelf of een verwant(e) door middel van een degelijk gevalideerd toestel is in dit geval te overwegen.

Deze studie bevestigt dat in geval van conventionele bloeddrukmeting door de huisarts eerst een rustperiode van minstens vier minuten moet worden gerespecteerd. Dit is in alle richtlijnteksten één van de voorgestelde maatregelen om een correcte meting mogelijk te maken. In hoeverre de toepasbaarheid van deze maatregel in de dagdagelijkse huisartspraktijk realistisch is, blijft een open vraag.

 

P. De Cort

 

Literatuur

  1. ARMITAGE P, R OSE GA. The variability of measurements of casual blood pressure. I. A laboratory study. Clin Sci 1966;30:325-35.
  2. ARMITAGE D, FOX W, ROSE GA, TINKER CM. The variability of measurements of casual blood pressure. II. Survey experience. Clin Sci 1966,30:334-7.
  3. MANCIA G, BERTINIERI G, GRASSI G, et al. Effects of blood pressure measurement by the doctor on patient’s blood pressure and heart rate. Lancet 1983;24:695-7.
  4. SILMAN AJ. Failure of random zero sphygmomanometer in general practice. BMJ 1985;290:1781-2.
  5. O’BRIEN E, FAINSIA M, ATKINS N, O’MALLEY K. Inaccuracy of the Hawksley-random zero sphygmomanometer. Lancet 1990;336:1465-8.
  6. DE CORT P. Hfdst 6: Vergelijkende studie tussen de bloeddruk door de patiënt zelf of zijn verwante gemeten, de huisartsmeting en het ambulante daggemiddelde. In: Vergelijkende studie van de bloeddruk, verkregen met verschillende methoden, bij personen boven de 60 jaar [proefschrift]. Leuven: Katholieke Universiteit Leuven, 1998.
Bloeddruk: eerst rusten, dan meten

Auteurs

De Cort P.
Academisch Centrum voor Huisartsgeneeskunde, KU Leuven

Woordenlijst



Commentaar

Commentaar