Tijdschrift voor Evidence-Based Medicine



Editoriaal:


  • 0
  • 0
  • 0
  • 0



Minerva 2000 Volume 29 Nummer 1 Pagina 54 - 55


 
 

Een deel van de medische activiteit van 83% van de artsen is het ontvangen van medisch afgevaardigden 1. Voor heel wat artsen is dit de belangrijkste informatiebron van nieuwe geneesmiddelen 2. Het sturen van medisch afgevaardigden naar artsen is een activiteit die de farmaceutische industrie in de Verenigde Staten in 1998 zes miljard dollar kostte 3. Artsen willen medisch afgevaardigden ontvangen omwille van de informatie, de stalen en de geschenken die ze kunnen ontvangen 4.

Een analyse van de informatie die de farmaceutische industrie aan artsen bezorgt, wijst uit dat deze vaak in de eerste plaats is opgesteld met de bedoeling een product te promoten eerder dan valabele wetenschappelijke gegevens te verstrekken 4. Vaak worden in plaats van degelijke klinische studies of meta-analyses studies voorgesteld met surrogaateindpunten, met een geselecteerde patiëntenpopulatie, met de nadruk op anekdotes of met de praktijkervaring van zogenoemde opinieleiders 5. Het resultaat van de informatiecampagnes via medisch afgevaardigden is dat het voorschrijfgedrag van artsen duidelijk wordt gewijzigd; het aantal voorschriften stijgt en men maakt onaangepaste therapiekeuzes 2,4. Onderzoek toont bovendien aan dat hoe meer een arts steunt op commerciële informatie, des te minder de kwaliteit van zijn voorschrijfgedrag wordt 2. Ook bij artsen die beweren dat zij zelf niet beïnvloed worden, bleek uit een recent literatuuronderzoek duidelijk dat alle contactvormen tussen artsen en farmaceutische industrie een statistisch significant effect hebben op het voorschrijfgedrag 8.

Eén van de bedoelingen van het bezoek van de medisch afgevaardigde is producten te promoten en te laten voorschrijven vanaf het moment dat ze zijn geregistreerd. In dit verband brengt de farmaceutische industrie vaak aan dat ze artsen vroeger op de hoogte brengt van het bestaan van nieuwe geneesmiddelen 2. Maar, op het ogenblikdat een geneesmiddel wordt geregistreerd, is het nieuwe product meestal nog niet vergeleken met bestaande standaardbehandelingen. Vaak zijn er dan nog geen economische evaluaties uitgevoerd en evenmin, waar dit van toepassing is, zijn er gegevens bekend uit mortaliteitsstudies.

De manier waarop de resultaten uit klinische studies worden voorgesteld, kunnen een verschillend licht werpen op de realiteit en kunnen misleidend zijn. Het is voldoende bekend dat visuele "trucs" een grafische voorstelling een andere "kleur" kunnen geven. Bovendien worden uitkomsten meestal voorgesteld als relatieve risicoreductie (kans op een gebeurtenis. In een cohortonderzoek bijvoorbeeld waar men het verband onderzoekt tussen blootstelling aan een bepaalde risicofactor en een uitkomst zoals een ziekte, kan men het risico van deze uitkomst berekenen voor de personen in de blootgestelde groep en voor de personen die niet aan deze risicofactor waren blootgesteld. De kans om ziek te worden in de groep blootgesteld aan de risicofactor is Ri = a / a+b. Het risico in de niet-blootgestelde groep is Rc = c / c + d. In een interventieonderzoek (RCT), waar men het effect van een interventie onderzoekt op een bepaalde (meestal gewenste) uitkomst (zoals bijvoorbeeld ‘genezing’ of ‘verdwijnen van de koorts’, etc…) kan men de kans (het risico) op deze uitkomst berekenen voor de interventiegroep en de controlegroep. Het risico van de uitkomst in de interventiegroep is Ri = a / a+b. Het risico van diezelfde uitkomst in de controlegroep is Rc = c / c+d.">RRR) en niet als gezondheidswinst of absolute risicoreductie (ARR). Daarbij is het soms zo dat de numbers needed to treat (number needed to treat geeft aan hoeveel personen moeten worden behandeld gedurende de bestudeerde termijn om één extra geval van een bepaalde ziekte te genezen of te voorkomen. NNT = 1 / ARR(%) * 100">NNT) of de numbers needed to harm (number needed to harm geeft aan hoeveel behandelde personen aanleiding geven tot één negatieve uitkomst (een schadelijke nevenwerking of dood) ten gevolge van een interventie. NNH = 1 / ARI(%) van de negatieve uitkomst * 100">NNH) niet worden vermeld of zelfs niet kunnen worden berekend aan de hand van de gegevens in het artikel 6.

De band tussen artsen en de industrie ligt echter nog moeilijker. Door de verminderde gouvernementele ondersteuning van het klinisch-wetenschappelijk onderzoek is de contractonderzoeksactiviteit van medische onderzoekers in universitaire en niet-universitaire klinische diensten sterk toegenomen 7. De vraag kan worden gesteld in welke mate je volledig onafhankelijk kan blijven van je broodheer? Heel wat klinische studies over medicamenten, gepubliceerd in vooraanstaande tijdschriften, hebben auteurs die als adviseurs verbonden zijn aan de belanghebbende firma. De relatie tussen de arts en de farmaceutische industrie moet ons tot nadenken stemmen op het vlak van de kwaliteit van de geneeskunde, maar ook op het ethische vlak.

 

E. Vermeire

 

 

Literatuur

  1. FERGUSON RP, RHIM E, BELIZAIRE W, et al. Encounters with pharmaceutical sales representatives among practicing internists. Am J Med 1999;107:149-52.
  2. GRIFFITH D. Reasons for not seeing drug representatives. BMJ 1999;319:69-70.
  3. ZUGER A. Fever pitch: getting doctors to prescribe is big business. The New York Times. Monday, January 11,1999; A1-A13.
  4. CHREN M-M. Interactions between physicians and drug company representatives. Am J Med 1999;107:182-3.
  5. Tien promotionele tips voor de farmaceutische industrie. Geneesmiddelenbulletin 1999;33:23-4.
  6. LEXCHIN J. How patient outcomes are reported in drug advertisements. Review of Canadian Medical Journals. Can Fam Physician 1999;45:1213-6.
  7. TEN CATE JW. Klinische onderzoekers en farmaceutische industrie. Redactionele kanttekeningen bij: COHEN AF. Klinische onderzoekers en farmaceutische industrie. Het onderzoekscontract is geen bijzaak. Ned Tijdschr Geneeskd 1999;143:1349-52.
  8. WAZANA A. Physicians and the pharmaceutical industry. Is a gift ever just a gift? JAMA 2000;283:373-80.
Editoriaal:

Auteurs

Vermeire E.
Vakgroep eerstelijns- en interdisciplinaire zorg, Centrum voor Huisartsgeneeskunde, Universiteit Antwerpen



Commentaar

Commentaar