Bondige bespreking


Hypertensie bij zwangere vrouwen: strikt of minder strikt behandelen?


  • 0
  • 0
  • 0
  • 0



15 07 2015

Duiding van
Magee LA, von Dadelszen P, Rey E, et al. Less-tight versus tight control of hypertension in pregnancy. N Engl J Med 2015;372:407-17.


Besluit
Uit deze studie kunnen we besluiten dat strikte behandeling van hypertensie bij zwangere vrouwen met een gemiddelde bloeddruk van 140/92 mmHg niet leidt tot minder verlies van de foetus en evenmin tot minder postnatale complicaties bij de pasgeborenen. De huidige richtlijnen hierover blijven dus geldig.


 

Hypertensie tijdens de eerste 20 weken van de zwangerschap verhoogt de kans op pre-eclampsie, abruptio placentae en neonatale mortaliteit en morbiditeit. Om het risico van pre-eclampsie bij een zwangere vrouwen met hypertensie in te schatten zijn volgende factoren belangrijk: voorafbestaande hypertensie, pre-eclampsie bij een vorige zwangerschap en proteïnurie in het begin van de zwangerschap (1). De Nederlandse Vereniging voor Obstetrie en Gynaecologie (NVOG) schat de incidentie van hypertensie tijdens de zwangerschap tussen 5 en 18% (2). Internationale richtlijnen geven geen eensluidende boodschap over een strikte versus een minder strikte controle van hypertensie tijdens de zwangerschap (3-6).

 

Een internationale, multicenter, open-label, gerandomiseerde en gecontroleerde studie  includeerde 987 vrouwen, die 14 tot 34 weken zwanger waren, met een diastolische bloeddruk tussen 90 en 105 mmHg (tussen 85 en 105 mmHg voor vrouwen die al antihypertensiva namen) zonder.proteïnurie (<0,3 g proteïne in een 24-uurscollecte) (7). De vrouwen werden gerandomiseerd in een groep met minder strikt gecontroleerde bloeddruk waarbij de streefwaarde voor diastolische bloeddruk 100 mmHg bedroeg (n=493) en een strikt gecontroleerde groep waarbij de streefwaarde voor diastolische bloeddruk 85 mmHg bedroeg (n=488). Na de randomisatie tot voor de bevalling nam 73,4% van de patiënten antihypertensiva in de minder strikt gecontroleerde groep versus 92,6% in de strikt gecontroleerde groep. In deze periode waren de gemiddelde systolische en diastolische bloeddruk respectievelijk 5,8 mmHg (95% BI van 4,5 tot 7,0) en 4,6 mmHg (95% BI van 3,7 tot 5,4) hoger bij de niet strikt gecontroleerde patiënten. Ook ernstige hypertensie (160/110 mmHg) kwam meer voor in de niet strikt gecontroleerde groep (40,6% versus 27,5% in de strikt gecontroleerde groep; p<0,001). De samengestelde primaire uitkomstmaat (verlies van de foetus of een hoge graad van neonatale zorg noodzakelijk gedurende meer dan 48 uur tijdens de eerste 28 levensdagen) verschilde echter niet tussen de strikte en de minder strikt gecontroleerde groep. Ook het aantal ernstige verwikkelingen bij de moeder gedurende de eerste 6 weken na de bevalling of tijdens de hospitalisatie verschilde niet tussen de strikt en de minder strikt gecontroleerde groep.

Alhoewel deze studie meer vrouwen includeerde dan vorige onderzoeken (3-6), is het toch mogelijk dat ze te weinig power had om een verschil in foetale en maternale complicaties aan te tonen bij deze groep zwangere vrouwen met een gemiddelde bloeddruk van 140/92 mmHg. Vandaar dat de huidige aanbeveling (8) geldig blijft: opstarten van bloeddrukverlagende medicatie  als de systolische bloeddruk hoger is dan 160 mmHg of de diastolische druk hoger is dan 105 mmHg, of zelfs op lagere drukniveaus (>140/90 mmHg), als de patiënt symptomen heeft (bv. hoofdpijn, gezichtsstoornissen) en/of proteïnurie en/of zwellingen vertoont. Ook in het geval van diabetes of nierziekten wordt medicatie vaak voorgeschreven bij een lagere bloeddruk. Bèta-blokkers (zoals labetalol) en vasodilaterende, langwerkende calciumantagonisten (zoals nifedipine) kunnen worden gebruikt als medicamenteuze behandeling. ACE-inhibitoren, sartanen en diuretica worden afgeraden.

 

Besluit

Uit deze studie kunnen we besluiten dat strikte behandeling van hypertensie bij zwangere vrouwen met een gemiddelde bloeddruk van 140/92 mmHg niet leidt tot minder verlies van de foetus en evenmin tot minder postnatale complicaties bij de pasgeborenen. De huidige richtlijnen hierover blijven dus geldig.

 

 

Referenties 

  1. Vermeire E. Risk factors for preeclampsia, abruption placentae, and adverse neonatal outcomes among women with chronic hypertension. Minerva 1999;28(7):301.
  2. Nederlandse Vereniging voor Obstetrie en Gynaecologie. Richtlijn hypertensieve aandoeningen in de zwangerschap. 2011. (Geraadpleegd op 5 juni 2015.)
  3. National Institute for Health and Care Excellence. Hypertension in pregnancy: the management of hypertensive disorders during pregnancy. NICE clinical guideline 107, August 2010.(Geraadpleegd op 11 mei 2015.)
  4. American College of Obstetricians and Gynecologists. Hypertension in pregnancy: report of the American College of Obstetricians and Gynecologists’ Task Force on Hypertension in Pregnancy. Obstet Gynecol 2013;122:1122-31.
  5. Magee LA, Pels A, Helewa M, et al. Diagnosis, evaluation, and management of the hypertensive disorders of pregnancy: executive summary. J Obstet Gynaecol Can 2014;36:416-41.
  6. Magee LA, Pels A, Helewa M, et al. Diagnosis, evaluation and management of the hypertensive disorders of pregnancy. Pregnancy Hypertens 2014;4:105-45.
  7. Magee LA, von Dadelszen P, Rey E et al. Less-tight versus tight control of hypertension in pregnancy. N Engl J Med 2015;372:407-17.
  8. Zwangerschap en bloeddruk. Duodecim Medical Publications. Laatste update: 28-7-2009.

 

 


Auteurs

Laekeman G.
Klinische Farmacologie en Farmacotherapie, KU Leuven

Woordenlijst



Commentaar

Commentaar